Home » blog » Samenwerkingsprogramma Babyconnect: Veel gestelde vragen over de subsidie.

Het samenwerkingsprogramma Babyconnect heeft subsidie ontvangen van het ministerie van VWS om digitale gegevensuitwisseling mogelijk te maken in de geboortezorg. Deze subsidie loopt van 2019 tot en met 2022 en het programmabureau van Babyconnect gaat partijen ondersteunen met kennis en expertise. 

Op deze pagina geven we graag, aan de hand van een aantal vragen en antwoorden, toelichting op Babyconnect en de subsidieregeling voor zowel het programmabureau als de cluster van VSV’s.

 

Babyconnect heeft subsidie gekregen. Waarvoor eigenlijk?
Het actieprogramma heeft geld gekregen om vanaf 1 mei 2019 tot 2022 op landelijk niveau cliënten, zorgprofessionals, en -organisaties te ondersteunen, door bijvoorbeeld tools te ontwikkelen die clusters van VSV’s verder kunnen helpen, viewers te laten bouwen door leveranciers, gebruikersgroepen op te richten (en te vergoeden), clusters te ondersteunen bij de aanvraag van de subsidie en de implementatie. 
Op regionaal niveau komt ook geld beschikbaar. Dit zijn subsidiegelden die clusters van minimaal 3 VSV’s zelf kunnen aanvragen bij VWS. Dit ministerie kent de subsidie toe en betaalt deze uit aan de penvoerder van die VSV’s. 

 

Vanaf wanneer kunnen clusters van VSV’s subsidie aanvragen? 
Zodra de subsidieregeling door VWS gepubliceerd is in de Staatscourant kun je subsidie aanvragen. Wanneer dit precies is, is nog niet helemaal duidelijk. Meer informatie hierover volgt in de te publiceren beleidsregels in de Staatscourant van het ministerie van VWS. Waarschijnlijk wordt dit kader eind april of mei gepubliceerd. Wat je al wel kunt doen totdat de beleidsregels verschijnen, lees je in deze blog.

 

Moeten we betalen om gebruik te maken van de tools die het programmabureau Babyconnect ontwikkelt? 
Nee. Deze zijn vrij beschikbaar. Dit geldt ook voor de ondersteuning en voor de trainingen en workshops die door het programmabureau worden geboden. 

 

Hoeveel gaat het invoeren van gegevensuitwisseling ons kosten in de regio? 
Het uitgangspunt van de subsidie is dat VSV’s zelf geen financiële investering hoeven te doen. Maar wel een investering in tijd. Bijvoorbeeld door medewerkers bijeenkomsten te laten bijwonen, (online) trainingen te laten volgen, uitwisseling te laten testen in de praktijk, evaluatieformulieren te laten invullen etc. Dit wordt in kind bijdrage (betaling in natura) genoemd. Babyconnect – april 2019 2 

Per VSV komt een bedrag beschikbaar om gegevensuitwisseling in te voeren. Dus wanneer je met meer VSV’s een cluster vormt heb je ook meer geld te besteden. Bij de aanvraag van de subsidie hoort een begroting (waar heb je het geld voor nodig). Aan het einde van de subsidietermijn moet op basis van deze begroting verantwoord worden hoe je de gelden hebt besteed. De ontvangen subsidiegelden kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden om een projectleider en/of medewerkers in een stuur- of werkgroep te betalen. 

Meer informatie volgt in de subsidiebeleidsregels in de Staatscourant van het ministerie van VWS. 

 

Moet de regio investeren in ontwikkelingen die door de leverancier gedaan moeten worden? 
De ontwikkeling door leveranciers van applicaties wordt zoveel mogelijk landelijk gedaan en komt daarmee beschikbaar voor alle regio’s. Clusters van VSV’s moeten echter wel rekening houden met kosten voor de aansluiting op het regionaal zorgnetwerk. 

 

Wat is de rol van de leveranciers? Verdienen zij aan Babyconnect?
Het geld dat clusters van VSV’s kunnen aanvragen, is niet bedoeld om leveranciers te betalen om hun werkwijze aan te passen aan de aanpak van Babyconnect. Voor de ontwikkelingskosten komt landelijk subsidie beschikbaar. De medewerking van leveranciers is essentieel voor de aanpak – waarbij gegevens gedeeld worden tussen verschillende applicaties. Zoals eerder gesteld kunnen geboortezorgverleners in hun eigen dossier blijven werken. Hiervoor is het nodig dat leveranciers data beschikbaar stellen zodat andere applicaties deze kunnen inzien via een viewer. De afstemming met de leveranciers is een landelijke aanpak; clusters van VSV’s hoeven hierover niet apart afspraken te maken met hen. Dat doen uiteindelijk regionale organisaties zoals bijvoorbeeld de RSO’s en programma Babyconnect biedt daar weer ondersteuning bij. 

 

Is de planning niet veel te optimistisch? 
Wanneer alle betrokken partijen zich conformeren aan de gemaakte afspraken en er geen onverwachte dingen gebeuren, is de planning haalbaar voor clusters van VSV’s. Dit is ook afgestemd met het ministerie van VWS bij het aanvragen van de subsidie. In de subsidieregeling die VWS op korte termijn publiceert, wordt vermeld wat de verplichtingen zijn en op welke manier clusters van VSV’s verantwoordelijk zijn voor het tijdig realiseren van de beoogde resultaten. Er is hierbij aandacht voor de vraag wat er gebeurt als er vertraging is door overmacht. Hier komt te staan dat het cluster niet aansprakelijk kan worden gehouden voor uitloop wanneer er sprake is van overmacht. 

 

Halen we met het aanvragen van de subsidie en het vervolgens invoeren van digitale gegevensuitwisseling via de aanpak van Babyconnect niet heel veel werk op onze hals? We hebben het al zo druk.
Het is een lang bestaande wens in het geboortezorgveld om het delen van gegevens mogelijk te maken. Deze wens realiseren vraagt inzet van mensen. Het kost tijd om een subsidie aan te vragen en vervolgens digitale gegevensuitwisseling in te voeren in je regio. 

Een van de uitgangspunten van digitale informatie-uitwisseling is dat je als zorgverlener tijd bespaart. Wanneer het mogelijk is om gegevens met elkaar te kunnen delen hoef je nog maar eenmalig te registreren, geen data meer over te tikken of mondeling door te geven. Hiermee vermindert de kans op vergissingen of fouten. 

In de voorbereiding en zodra de subsidie verstrekt is gaat een selecte groep zorgprofessionals in het cluster van VSV’s zich bezighouden met de realisatie van gegevensuitwisseling. Zij nemen deel aan een werkgroep of stuurgroep. VSV’s zullen hiervoor tijd vrij moeten maken om deze zorgverleners te kunnen toerusten. Daarnaast wordt een (interne) projectleider aangesteld, die de meeste tijd gaat besteden om digitale gegevensuitwisseling te realiseren. 

De zorgverleners die niet actief betrokken zijn in het project, worden regelmatig geïnformeerd (door bijv. nieuwsupdates, bijwonen van bijeenkomst of training). Dit kost een beperkte hoeveelheid tijd voor veel zorgverleners. Zij zijn hiermee wel goed op de hoogte om te kunnen werken met de aanpak. 

 

Welke rol heeft de Raad van Advies binnen Babyconnect? 
Het samenwerkingsprogramma Babyconnect krijgt naast een Raad van Toezicht (van Stichting CareCodex, de stichting die het programma uitvoert) ook een Raad van Advies. Hierin nemen vertegenwoordigers van de partijen in de geboortezorg plaats. In deze raad kunnen de deelnemers zwaarwegend strategisch advies uitbrengen aan het bestuur van het actieprogramma waarmee ze kunnen bijdragen aan het succes van het programma. De Raad van Advies benoemt een onafhankelijk voorzitter. 

Meer vragen en antwoorden (Q & A) vind je op onze site.

Heb je vragen die er niet bijstaan? Schroom niet contact op te nemen met ons, via info@carecodex.org, of via 085-3012941. 

Wil je op de hoogte blijven van de ontwikkelingen van Babyconnect? Meld je dan aan voor onze nieuwsbrief. 

Share This